Update (situatie per 17 juli 2018):
Er is een besluit genomen over de uitvoering van de vaccinatie bij zwangeren tegen kinkhoest. De staatssectretaris heeft de jeugdgezondheidszorg (JGZ) aangewezen als uitvoerende partij van het programma. De JGZ zal vanuit het Rijksvaccinatieprogramma de vaccinatie toedienen aan de zwangere vrouw, zodat de zuigeling vanaf geboorte beschermd is tegen kinkhoest. Een nauwe lokale samenwerking met verloskundigen, gynaecologen en verloskundig actieve huisartsen zal moeten worden opgezet. De betrokken partijen streven ernaar om in 2019 te beginnen met het aanbieden van deze vaccinatie aan alle zwangere vrouwen. Zwangeren zijn in het kader van het RVP een nieuwe doelgroep. Ook bij deze vaccinatie is het de bedoeling dat er in 2019 mee gestart wordt.

Achtergrond informatie RIVM

Pasgeborenen en jonge, nog niet of onvoldoende gevaccineerde zuigelingen vormen de belangrijkste risicogroep voor het krijgen van een ernstige kinkhoestinfectie. Een effectieve manier om jonge zuigelingen te beschermen tegen kinkhoest is door middel van het vaccineren van zwangere vrouwen. Via de placenta geven zwangere vrouwen beschermende antistoffen door aan hun kind. Deze antistoffen beschermen de zuigeling de eerste levensmaanden tegen (een ernstig verloop van) kinkhoest.

De Gezondheidsraad heeft eind 2015 het advies uitgebracht om kinkhoestvaccinatie tijdens de zwangerschap aan te bieden in een nationaal programma. De minister van VWS zal beslissen of zij dit advies overneemt en hoe dit uitgevoerd zal gaan worden.

Kinkhoest is een acute infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bordetella pertussis en minder frequent door Bordetella parapertussis. Kinkhoest is vooral gevaarlijk voor niet of onvoldoende gevaccineerde zuigelingen, omdat in deze groep vaker complicaties (apnoe, hypoxie, pneumonie, encefalopathie en zelfs overlijden) worden gezien. Opnames in het ziekenhuis vinden voornamelijk in de eerste 2 tot 3 levensmaanden plaats.

Per jaar worden er in Nederland gemiddeld 170 gevallen van kinkhoest gemeld onder baby’s en zijn er gemiddeld 120 ziekenhuisopnamen. Dit gaat grotendeels om baby’s jonger dan 3 maanden die nog te jong zijn voor volledige vaccinatie. In de periode 2005-2014 zijn in Nederland ten minste vijf baby’s overleden aan de gevolgen van kinkhoest (Gezondheidsraad 2015).

Doel van maternale vaccinatie is bescherming van het kind de eerste maanden na de geboorte, tot de eerste vaccinaties volgens het Rijksvaccinatieprogramma zijn gegeven. De antistoffen die de zwangere aanmaakt, worden via de placenta overgedragen op het kind. Het transport van moeder naar kind is een actief proces en start rond 13 weken zwangerschap (Kohler 1966). Rond de 32 weken zijn de antistoftiters bij moeder en kind gelijkwaardig, daarna is de titer bij het kind vaak hoger dan bij de moeder (Maertens 2016). Deze antistoffen zorgen voor een korte termijn bescherming tegen (de ernstige complicaties van) klinische kinkhoest bij de zuigeling tot deze zelf meerdere vaccinaties tegen kinkhoest heeft gehad. De bijdrage van borstvoeding in de overdracht van antistoffen na kinkhoestvaccinatie is zeer beperkt (Pandolfi 2016).

De hoeveelheid antistoffen die een zwangere vrouw aanmaakt, is ongeveer 2 weken na de vaccinatie maximaal (Halperin 2011). Dit was de achterliggende reden voor het advies om vrouwen relatief laat in de zwangerschap te vaccineren (tussen 28 en 32 weken, evt. tot 38 weken) om de pasgeborene een zo hoog mogelijke concentratie antistoffen mee te geven. Recent onderzoek laat zien dat vaccinatie gegeven in het tweede trimester mogelijk ook zinvol is (Eberhard 2016). Mogelijk worden prematuur geboren kinderen beter beschermd door eerder in de zwangerschap (vanaf start van het tweede trimester) te vaccineren. Echter, er is nog niet veel onderzoek naar gedaan en vooralsnog verdient vaccinatie tijdens het derde trimester de voorkeur.

De concentratie van antistoffen bij het kind neemt in de loop van de eerste levensmaanden af, waarbij na twee maanden de antistofconcentratie nog altijd significant hoger is dan bij kinderen van ongevaccineerde moeders (Maertens 2016). Het is belangrijk dat de kinderen na de geboorte gevaccineerd worden volgens het schema van het Rijksvaccinatieprogramma, aangezien de maternale antistoffen, net als andere passief verkregen antistoffen, worden afgebroken (halfwaardetijd ongeveer 20 dagen) en daardoor alleen in de eerste levensmaanden bescherming geven.